De weg naar de Tana Toraja’s

We worden wakker in het Ibis Airport hotel na wederom een hele korte nacht. Vandaag hebben we een reisdag. Van Makassar reizen we naar het gebied van de Tana Toraja’s met chauffeur en gids. Een dagvullend programma.

Al snel nadat de gids zich aan ons voorgesteld heeft blijkt ook hij familie in Nederland te hebben. Sterker nog, hij kan zelf nog best een woordje Nederlands. De gids kletst er lustig op los en we komen van alles en nog wat te weten onderweg. Zo vertelt hij dat de naamsverandering van de eilanden (Sulawesi heette voorheen Celebes) na de onafhankelijkheid heeft plaatsgevonden.

Op Sulawesi wonen eigenlijk vier stammen. Waaronder de Toraja’s en de Bugi’s met allemaal hun eigen taal. Bij de Toraja’s geldt in ieder geval dat het grootste deel christelijk is door de komst van Nederlandse missionarisen.

Onderweg passeren we veel rijstvelden. Waar, volgens onze gids twee keer per jaar geoogst wordt. Ze zijn voor de verbouwing namelijk afhankelijk van de regen omdat er verder geen irrigatiesysteem is aangelegd. De huizen die we passeren hebben aan voor en achterzijde op de punten van het dak een soort gekruiste latjes zitten die bedoeld zijn om boze geesten te weren.

Tussentijds stoppen we bij een lokaal huis waar we een lokale snack mogen proeven, dange. Een snack van sticky rice met palmsuiker en kokos. Anita besluit in het huis ook nog een toiletbezoek te brengen en belandt in een hokje met niets meer dan een geultje aan de rand van het huis dat naar beneden loop en wat emmers water om te spoelen. Terwijl ik de wachthoud voor de deur blijft de vrouw des huizes er vrolijk op los kletsen en vragen stellen aan me terwijl ik aan probeer te geven dat ik haar niet begrijp maar ze is niet te stoppen.

We lunchen in Pare Pare een van de ‘lokale restaurants’ waar de toeristen gedropt worden. Het is nog rustig als we binnen stappen en terwijl wij een keuze proberen te maken blijven er maar liefst drie dames aan onze tafel staan. Als wij al lekker aan het eten zijn komt er een grote groep toeristen binnen en binnen een halve minuut hebben we last van plaatsvervangende schaamte. Binnen de groep lijkt een dame de groepsleider naast de Indonesische gids. Zij zal het allemaal wel even regelen dat is duidelijk en ze is niet snel tevreden. Ze commandeert het personeel van het restaurant ‘ beer, beer, we want beer, more beer! Now! And cold!’ en zo gaat het met alles. Niet is goed genoeg en snel genoeg en de arme gids krijgt ook geen moment rust want hij wordt steeds van zijn stoel gelicht om te vertalen voor haar. We hebben een beetje medelijden met de beste man.

Als we weer verder rijden zien we een varken gebonden aan zijn pootjes hangen en vertelt onze gids over de jacht op wilde varkens die veel in de omgeving plaatsvindt. Mensen gaan er op uit met speren en stenen om een varken buit te maken en te verkopen.

We hebben een middagstop voor een kopje koffie met gefrituurde banaan en een prachtig uitzicht. Een groepjes Indonesische mensen achter ons zorgt voor live muziek, helaas af en toe flink vals.

De rest van de reis passeren we Toko Anita, veel loslopende honden, koeien en buffels langs de weg. Bijna rijden we een hond aan die midden over de weg struint en totaal geen haast heeft weg te komen. Maar het loopt goed af.

Ons hotel blijkt in het noordelijke deel van het Tana Toraja gebied te zitten dus het is echt een lange weg die we afleggen. We pikken onderweg wat te eten op en als we bij het hotel aankomen is het een oase van rust. Zouden we de enige gasten zijn? Het hotel is ruim maar behoorlijk afgeleeft en niet altijd even fris. We frissen ons op en kruipen op tijd onder de wol. Klaar om onze slaap in te halen.